‘Debby, did you bring your tempel socks?’ Vraagt Dorji onze gids. We zijn nog maar net geland in de hemel hier in de Himalaya. De zon is warm, we lopen het hotel Le Meridien In in Paro. Een mooie ronde receptie met een uitzicht op de rivier met een blauwe kleur en kiezeltjes erlangs. Toppen van bergen omringen ons en je kijkt heerlijk ver de natuur in.

Een dame in kira, traditionele geweven lange rok met grijze, groene en felroze banen glimlacht. Ze heeft een warme appel-kaneel thee. We nemen een slokje en je wangen Gaan er van gloeien. Even bijkomen. Vanochtend zijn we al vroeg uit Delhi vertrokken uit ons heerlijke The Lodhi Hotel. We moesten om 04.00 uur ‘sochtends naar Delhi Airport Om in te checken voor de vlucht naar Paro. De dag ervoor was de vertrektijd even aangepast en de tussenlanding in Kathmandu geskipt. Dat schijnt bij Druk Air, de nationale Bhutanese airline heel normaal te zijn. Blijkbaar hoefde er niemand naar Nepal.

Nog een slokje. Ik denk na en lach naar Dorji. ‘Tempel socks? Yes sure.’ Ik denk aan het inpakken. Reizen naar Azië is meestal easy: bikini, slippers, jurkjes, veel brillen en zonnebrillen Met mijn gevoelige ogen, shortjes en t-shirts. Dezekeer niet. Een dik vest, wollentruien, sokken. De marktkoopman in Breda zei nog neem sokken met badstof voering, is lekker warm en neemt vocht op als je een trekking maakt. Dat advies blijkt later goud waard.

‘Yes, Dorji, I have temple socks. And I promise to bring them every day.’ ‘Good’ zegt hij, ‘because you will need them. Its polite to take off the shoes when we visit the temple, And the floors are made of natural stone so it’s very cold.’

Bhutan is een land dat in mijn geval niet onder je huid kruipt, maar in je cellen. Ook als je al weer weken thuis bent, krijg je steeds weer flashbacks, zelfs tijdens dromen ‘s nachts. Of het nu de frisse, schone lucht is die je inademt, de vergezichten, de pure vriendelijkheid en compassie van de mensen, de zegeningen in de tempels die we meemaakten. Ik kan Het niet goed verklaren, maar weet wel dat het daardoor onvergetelijk is, en voor mij onmisbaar in dit leven. Een groot deel van die magie en dat warme gevoel is zeker ook te danken aan het feit van hoffelijkheid, geduld, empathie en vriendelijkheid hier. Huizen hebben de ruimte, wegen zijn Klein en niemand kan haasten en schelden want dat zou echt raar zijn en enorm onbeleefd.

De eerste magie is er zodra ik de hotelkamer inloop. Het uitzicht is zo enorm mooi en uniek. We kijken op een snelstromende rivier, met een stupa midden in de tuin van het hotel. In de verte bergkammen en hoge toppen. Heerlijk, fijn om zo uit te kijken.

De Magie van Paro Tsechu
Dit festival ter ere van de heilige Boeddha en Padhmasambhava is een hoogtepunt in het jaar. Het fijne voor ons als toeristen is dat je de Bhutanese mensen kunt ontmoeten Op het festival. Ze bezoeken de dansen de hele dag. Deze dansen en muziek beelden belangrijke thema’s uit uit de Tibetaanse Boeddhistische filosofie. Heel leerzaam dus. Twee gekke clowns begeleiden de dansen en halen de hele dag gekkigheid uit. Ze zwaaien met een falus en slaan de mensen uit het publiek ermee. Ze stoeien, dansen, Roepen gekke dingen. Dit hoort bij het festival. De falus symboliseert vruchtbaarheid en komt in veel mythologische verhalen voor.

We zitten tussen de lokale mensen op de tribune. Er komt zo weer een nieuwe dans. De spreekster ligt toe dat de dansers zich aan het voorbereiden zijn en ze vertelt Wat de dans met de black hats betekent. Momo’s, Nepalese snacks met loeihete chilisaus, worden verkocht op de tribune. Er wordt gekletsts en iedereen kent elkaar Want Paro is niet groot. Dan valt me weer op dat wij aan het kletsen zijn met de mensen, aan het lachen en met de gids dingen die we zien uitwisselen en hij legt Dingen uit en wij lachen daar weer om. Andere toeristen zitten strak met hun camera klaar. Ze genieten niet. Ze zijn alleen maar aan het observeren. Ze luisteren niet. Het zijn vaak Amerikanen, Fransen en Italianen. Die zijn naar Bhutan gekomen omdat het zo exclusief is. Het doel van dit mooie evenement is je met elkaar verbinden. De winter is voorbij, de mensen gaan weer naar buiten, de akkers op, met elkaar leuke dingen doen. Het is Dorji ook opgevallen. Jullie vinden het echt leuk he. Ja, zeggen wij, dit is zo gezellig en zo sfeervol. NA een paar dansen besluiten we een rondje te lopen. We praten met Indiase toeristen en Bhutanese kids rennen achter mij aan en willen met Barbie of Frozen op de foto. Dat ben ik dus zegt Dorji vanwege mijn blonde haren. We lopen naar een groep stoere jongens en meiden, ze zijn duidelijk naar elkaar aan het lonken. Een van de jongens komt naar me toe. Ik herken hem, hij werkt in ons hotel! Wat ontzettend leuk. Hij stelt ons voor aan zijn vrienden en we wisselen nog wat leuke ervaringen uit. Tenslotte wandelen we langzaam terug en bezoeken de Dzong.

Mythische verhalen van draken, monsters, guru’s en godinnen. Kleurrijke kostuums, maskers en falussen. Snacks en gelach.

Een kleurrijke, sfeervolle dag om nooit te vergeten.

De Magie van de Natuur
De vlucht naar Bhutan is alsof je naar een andere wereld vliegt. Dat komt vast door de hoge bergtoppen, die soms besneeuwd zijn en soms in wolken verdwijnen. De lucht is er zo schoon en helder, dat je er even aan moet wennen. Hoge dennenbomen, valleien met kolkende rivieren, akkers en rijstvelden. Kleine huisjes, soms Heel groot. Dan staat er weer een phallus op een huis geschilderd. We lachen er inmiddels om. De kersenbloesems, in wit, lichtroze en felroze. Wilde dieren Zien we niet zo veel, wel de jaks natuurlijk, grazend aan de kant van de weg. Kleine riviertjes lang de weg monden soms uit bronnen, waar een stupa staat. De zon gloeit op je gezicht. In de nacht is het bijna tegen het vriespunt, overdag Trek je steeds een vest of trui uit. Wol is echt wel heel lekker, katoen ook. Herinnert me weer aan hoe gezond het is om natuurlijke materialen te dragen in plaats Van al dat synthetische, plastic spul. Dat vergiftigt je namelijk via je huid. We eten ’s avonds groenten van het land. Ik vind de rode rijst een beetje grof en taai als ik eerlijk ben, dus neem liever de verse Indiase rijst. De asperges en spinazie Zijn heerlijk. Net als de chilis in kauassaus. Ik dacht dat het paprikas waren, in de Datchi maar nee, het zijn rode pepers. De serveerster brengt snel een glaasje watermeloensap. Mond in de fik. Op het punt waar de Thimphu en Paro rivier bij elkaar komen, is het warm en je voelt dat ook dit weer een bijzondere plek is. Er staat ook weer een stupa. Zouden de Bhutanesen aanvoelen waar er goede energie is en daarom overal die stupa’s plaatsen op fijne plekjes? Diepe mistige valleien zien we soms. Maar zodra de volgende dag de zon schijnt, is er een totaal andere sfeer. Kloosters op een hoge bergpunt. Schoon, puur. Geen Bebouwing er omheen. Leegte. Opgeruimd. Geen afval, geen troep. Geen consumententroep, winkels met plastic troep voor een euro en vet fastfood vol conserveermiddel. Alleen bergpaden en bloemen van de indigo. Ik snap dat draken hier willen wonen. Lekker van vallei naar vallei vliegen.

Magie van de Taktsang
Een land waar iedereen mediteert, naar de tempel gaat. Elkaar begroet.

Hier heeft niemand een voornaam en een achternaam. Alleen twee voornamen, die altijd symbolisch zijn voor wie je bent en waar je goed in bent. Een roepnaam was vroeger ook de naam van je Roeping. Daar komt dat woord vandaan. Niet dat wij er in ons land nog over nadenken, of vernoemen naar voorouders of talenten… Tandin Dorji heet de gids. En een ID-nummer heeft hij. Geen achternaam dus. Een paar dagen geleden hadden wij het erover. Ik zou wel willen weten wat mijn naam was als ik in Bhutan was geboren.
Dorji zegt, misschien kunnen we het in een tempel vragen. We lachen over de verschillende namen en betekenissen. Ik zei iets met Lotus of Druk (draak) lijkt mij wel heel mooi.

Een pelgrimage van weken, dagen, uren. Sommige Bhutanezen reizendagen naar Paro om een keer in hun leven deze trekking naar het Taktsang klooster tegen de hoge bergwand te maken.
900 meter hoog, 4,5 km lopen zonder trap, pad, leuning. Stijl tegen een bergwand omhoog. Door mul zand, over boomwortels. Steeds eraan denken dat je tegen de berghelling moet blijven lopen en niet aan de buitenkant, want dan kun je wegglijden. Hoger en hoger, steeds mooier uitzicht. Dichterbij het doel, verder van de start.

Na uren lopen, steeds weer omhoog een kop thee. Hoe lekker smaakt die thee dan met een biscuitje. Even rusten. Adrenaline heeft het al overgenomen, plezier, de uitdaging, overdenkingen, voeten die soms mopperen die we negeren. Iemand die ik inhaal. Iemand die mij inhaalt. Mensen ouder dan ik, jonger dan ik. Ouder dan ik en sneller dan ik. Dorji lacht: they are from Switzerland. O, geukkig, hoef ik me niet te schamen zeg.

Na de allerlangste trap van mijn leven (eerst nog even naar beneden, dan de brug over, en dan weer omhoog) komen we bij de tempel aan. Ik mediteer. Dorji zegt, Deb, shall I teach you a nice prayer from Bhutan? Yes please zei ik.
We staan in de eerste tempel. Guru Padhmasambhava heeft hier in de 8e eeuw gemediteerd in een nis. We bidden op Bhutaanse wijze. Dorji zegt voor, wij zeggen na. De tranen staan in mijn ogen. Is het de tekst die mij zo raakt. Of is het deze dag, de schoonheid van Paro, de mooie, indrukwekkende en af en toe ook best zware route. De vraag die in je hoofd blijft herhalen of je het wel zal halen, of het niet te zwaar is en te hoog. De meerderheid van de mensen die je na de koffiestop ziet terugkeren: te zwaar. De vele mensen die na het viewpoint omkeren: uitgeput. De opluchting dat je er bent, en dat je in een van de mooiste en meest heilige tempels van Bhutan staat. Die ooit ook afgebrand is en gelukkig, met hulp van alle omwonenden weer opgebouwd. Dat alles vergankelijk is en een dag als deze onvergetelijk. Dat je als mens altijd meer kan dan je denkt. Dat je sterker bent dan je denkt.
Dorji vertelt over de heilige die hier kwam mediteren. Hij kwam hier op de rug van een Tijgerin naartoe. Dat is de reincarnatie van de vrouw van de Buddha. Hij legt uit over de tempel, de mooie, kleurrijke muurschilderingen van heiligen die uit de Lotus zijn geboren, Guru Padhasambhava.

In de tweede tempel, met de vier raampjes, is een beeld van goud van de Guru. Volgens de legende heeft dit beeld gesproken en de lama’s wijsheden en inzichten gegeven. In het nisje bij het raam zit de hoofdlama van deze tempel. We buigen naar hem en zeggen hem gedag. Net als Droji. Ik weet dat als je naar Bhutan reist, je de lama kunt vragen wat je naam is als je in Bhutan was geboren. Ik vraag het aan Dorji. Voorzichtig legt Dorji uit aan de hoofd lama van de Taktsang dat ik graag wil weten hoe mijn naam zou zijn in Bhutan. Hij zegt erbij dat ik erg geïnteresseerd ben in het Boeddhisme en het ook bestudeer, mediteer en er rust en antwoorden bij vind.
Ik mag voor de lama komen zitten, met het hoofd gebukt, de handen voor het hart, in de meditatiehouding. ‘Pema Tshogyel’ zegt de lama. Pema betekent Lotus, Tshogyel betekent Tijgerin, naar de vrouw van de Buddha. De tijgerin die de heilige naar deze tempel bracht op haar rug, over de bergkammen en bergtoppen.

We danken de lama en lopen langzaam de tempel uit. Hij lacht ons na en gaat verder met lezen in zijn oude geschriften over het Boeddhisme.

Wij hebben nog een lange weg te gaan. Het begint te regenen. Mijn benen willen wel lopen, maar mijn adem is snel op. We zitten op 3.100 meter hoog en na vijf stappen moet ik een ‘breather’ nemen van Dorji. Eenmaal bij het viewpoint, gaat het perfect. De wandeling naar beneden gaat snel en soepel.

De Magie van Bruto Nationaal Geluk
De koning van Bhutan vindt happiness belangrijker dan economische groei. Dat zei hij in een interview jaren geleden. Hij voegde de daad bij het woord en liet de regeringsmedewerkers alle inwoners een enquête invullen en scores geven over hun gevoel, hun blijdschap, hun tevredenheid en geluk. In de enquete komen allerlei vragen voorbij, over rijkdom (geld, huis, bezit), Gedrag, hoeveel sieraden je hebt, of je veel cash in huis hebt. Alsof je dat eerlijk gaat zeggen dan zegt onze gids. Hahaha natuurlijk niet. Over als je verdrietig bent waar dat dan door komt.
Of andere mensen voor je klaar staan als je ze nodig hebt. Al met al toch jaar in jaar uit een dikke 7.7. Dat is wel een compliment dan. Want er is ook armoede, verdriet. Er scheiden steeds meer echtparen, uit ontevredenheid over hun gearrangeerde huwelijk. Want die ander blijkt toch na een paar jaar heel vervelende trekjes te hebben. Zoals de vrouw van Dorji, die erg boos en kwaad was altijd. Nu woont zij weer bij haar ouders en hun zoon woont bij Dorji en zijn ouders. Die hebben het heel leuk samen. Zijn ouders hebben zich bij de scheiding neergelegd. Altijd ruzie en tranen is ook geen leven. Dorji glimlacht stiekem, er is weer een nieuwe liefde!

In de Memorial Chorten staat een grote witte stupa, door de koning laten bouwen als symbool voor wereldvrede. De gelovigen lopen er rondjes omheen (minimaal drie). De meeste mensen bidden zoals we ook in Tibet hebben gezien, van staand, handen omhoog, knielend, liggend, voeten bijschuiven en weer omhoog. Knielen geeft het lichaam, de geest en de ziel meteen rust. Knielen herinnert je aan al die keren dat je knielde om te bidden of mediteren. De geur (van wierook), de emotie, het gebed, de kerk, de tempel. Het brengt je ook meteen in de staat van rust. Naar de stupa staat een gebedshuis. We kiezen een grote boterlamp en we steken die aan om te herinneren aan iedereen die er niet meer is, van wie we ontzettend veel hebben gehouden en nog steeds. Ervoor staan rijen met kleine boterlampjes. Lokale mensen lachen naar ons, ze vinden het duidelijk fijn dat we mee doen.

Grapjes, geintjes, dolletjes. Zelfs op de zware trekking komen vrienden en collega’s van Dorji die op reis zijn met andere reizigers naast ons lopen en maar kletsen, nieuwsgierige vragen stellen en lachen. Chocolade eten samen, geintjes over de Indiase toeristen die op een paard klimmen. Lui zijn ze! Mythes en sages. Grote piemels op de muur geschilderd maar als je het woord seks noemt, doen ze hier snel hun grote mouwen van hun jack voor hun mond. Dan wordt er geproest.

Elkaar aanmoedigen en troosten. Dat zag ik ook aan de kant van de weg. Bij een diepe kloof langs de weg, tegen een bergwand plaatsten twee mannen de kleine witte mini-stupa’s. Dorji vroeg voor wie het was en of ik een foto mocht maken. Dat mocht wel. Het was voor een overleden vriend. Ze plaatsten 108 kleine stupa’s om hem te herinneren, aan hem te denken. EN in die stupa’s zitten dan briefjes met mantra’s erop voor hem, dat hij vrede vindt en rust, een goed nieuw leven. Dorji praat even met ze. Hij wenst ze sterkte en begrijpt dat hun dit een fijn gevoel geeft. Anderen doen het met vlaggen, grote witten hoge vlaggen aan lange stokken in een bos of weiland, de hard wapperen in de wind met mantra’s erop.

Grapjes, aardige woorden, lieve wensen. Begrip en empathie.
Dat is Bhutan.

Misschien wel een van de laatste echte spirituele bestemmingen. Daar waar je het als reiziger ziet en deelt. Kan begrijpen en ook voelen. Waar rituelen, rust, meditatie en tempels heel gewoon is.
Waar je bliss en zen voelt.